Dit is een oude revisie van het document!
Rijnstraat 71
Het gebouw stamt uit 1354 en had oorspronkelijk de functie van munthuis met de naam “die Munte” of “Altmunte”. Het is gebouwd in opdracht van Henric Bruno die Munter.
Rond 1380 en 1383 wordt het gekocht door Johan Wolterszoon van Arnhem (ca. 1347-1401), kanunnik en vicaris bij de Sint Pieterskerk in Utrecht. In zijn testament had hij bepaald dat het gebouw na zijn dood, met een aantal landerijen en erfrenten, naar een stichting zouden gaan die er een bestemming aan moest geven, omschreven als
“hospitael ende een geestelijck huys voor die ermen ende die siecken te ontvangen ende te vueden”.
Na zijn overlijden in 1401 wordt zijn testament uitgevoerd en wordt het pand flink verbouwd: op de traptoren wordt een klokkenverdieping met galmgaten geplaatst, de voorzaal wordt omgebouwd tot kapel (Sint Pieterskerk) en het beeld van Sint Petrus wordt op de topgevel geplaatst. In 1407 wordt het gasthuis, vernoemd naar Sint Peter omdat eigenaar Johan van Arnhem kanunnik is bij de Sint Pieterskerk in Utrecht, gewijd door de bisschop van Utrecht.
Het pand is lange tijd als gasthuis in gebruik geweest, maar na de reformatie en de Beeldenstorm in 1579 werd het anders en minder. Uiteindelijk is het verkocht aan A.C. Vongers, een wijnhandelaar. Deze laat het vervallen pand restaureren in vroeg-neogotische stijl en vernieuwt de achterbouw; hij neemt het pand in gebruik als winkel.
Nadat op 19 april 1932 Drie Gasthuizen het pand heeft teruggekocht op een veiling is het lange tijd verhuurd, nog steeds als winkel (aan fa. de Klark, kunstgalerij Albricht en modewinkel de Globe).
Vanaf 1 mei 2015 is het pand weer in gebruik genomen door de DrieGasthuizenGroep als hoofdkantoor; het bestuur, het beheer en het klantcontactcentrum zijn er gevestigd. Zo is de cirkel rond!
De voorgevel is een gotische gevel met kruisvensters en arkeltorentjes met bakstenen spitsen.
De vier traveeën brede voorgevel heeft 2 bouwlagen en sluit af met een tuitgevel.
De schuine geveldelen zijn afgedekt met een tufstenen deklijst, met op halve hoogte een uitspringend blokje (wat herinnert aan in het verleden aanwezige aanzet van pinakels).
De top van de gevel wordt bekroond door een tufstenen beeld van Sint Petrus.
Aan beide kanten van de gevel bevinden zich arkeltorentjesplugin-autotooltip__plain plugin-autotooltip_big Een arkeltorentje is een hangtorentje op een hoek van twee gevels met bakstenen spitsen. Deze zeshoekige arkeltorentjes lopen trapsgewijs uit. Onder de onderbouw bezitten ze een natuurstenen gebeeldhouwde console.
De arkeltorentjes drukten de macht van de bewoner uit.
Ter hoogte van de verdiepingsvloer onder de vensters van de tweede bouwlaag en van de zolder zijn waterlijsten van geprofileerde bakstenen aangebracht.
Onder de bovenste van deze lijsten is een spitsboog-fries toegepast, dat ook doorloopt over de voorzijde van de arkeltorentjes, die iets daaronder aanvangen.
Alle verdiepingen hebben kruisvensters van trachiet plugin-autotooltip__plain Trachiet is en vulkanisch gesteente. en binnen de hoge spitsboog nissen bevinden zich segmentvormige ontlastingsbogen.
Ter hoogte van de zolder heeft de topgevel in het middendeel twee vensternissen, elk onder 2 gekoppelde spitsbogen. In de boogvelden zitten boven de segmentboogvormige ontlastingsbogen, met daarboven een verdiepte gepleisterde oculi. De rechter ontlastingsboog wordt onderbroken door een hijsbalk. En aan beide zijden van de centrale vensters een lagere spitsboog vensternis.
Ter hoogte van de verdiepingsvloer bevinden zich 3” I en Y” ankers, ter hoogte van de jukplaten 2 eenvoudige staafankers.
De zijgevels zijn wat hoger opgemetseld en hebben zo een zogenaamde weergang. Door deze lage bakstenen muur langs de onderrand van het dak werd de houten dakconstructie van buitenaf tegen vuur beschermd. Dat was nodig omdat stadsbranden vaak voorkwamen. Aan de rechterzijde van het gebouw is een deel van deze zogenaamde weergang zien; hij onttrekt de onderste dakrand aan het oog.
Op de hoogte van de weergang hebben de voor- en achtergevel een ”uitkraging” op twee door hardstenen console ondersteunde spitsbogen.
Tegen de rechter zijgevel (gezien vanaf de voorkant) staat een traptoren (het onderste deel van de voorkant valt binnen de aansluitende bebouwing). Het bovenste deel is een waterlijst van profiel stenen met een afzaat die doorloopt in de galmgaten. Deze gekoppelde nissen in de voor- en achter gevel sluiten aan de bovenzijde af met spitsbogen. Binnen de nissen liggen de kleinere rechthoekige galmgaten met eiken galm borden. De gevels sluiten aan de bovenzijde af met een profiellijst, waarop de leidekking van het spitse tentdak direct aansluit.
De traptoren is te zien van achter het gebouw.
De achtergevel heeft trappen.
De aanbouw stamt uit begin 19e eeuw. Maar al in de 17e eeuw stond er op dezelfde plaats een aanbouw.
De huidige gevel aan de binnenplaats is boven de boven het maaiveld uitstekende kelder opgetrokken in neo- classicistische stijl met pleisterwerk in blokverband. De gepleisterde kelderzone springt iets naar voren en heeft geen blokverband.
Ter hoogte van de verdiepingsvloer is een gepleisterde waterlijst aanwezig.
De gevel sluit boven af met een gepleisterde Fries.
In de voorzaal was de kapel van het gasthuis.
De moerbalken hebben muurstijlen met gebogen korbelen. De muurstijlen worden opgevangen op kraagstenen, die in de voorzaal zijn uitgevoerd met sculpturen.
De eikenhouten planken van de zoldering hebben vaak niet een strakke rechthoekige vorm maar de vorm van de naar boven toe smaller wordende stam.
Op een aantal plaatsen is er geen pleisterwerk (meer). Daar is o.a. de doorgang naar het andere pand te zien.
De ruimte is ingedeeld in drie afzonderlijke “huizen”, een verwijzing naar de Drie Gasthuizen. Met deze constructie worden meerdere doelen gediend: in de grote ruimte ontstaat zo toch een aangename werkomgeving, en hij maakt het mogelijk allerlei technische voorzieningen aan te brengen terwijl muren en zoldering – zoals voorgeschreven door de monumentenzorg – onaangetast blijven.
Het beeld links achter in deze zaal is een beeld van Sint Petrus, te herkennen aan de sleutel (zie hierna bij de zegelstempels). Bij de restauratie in 1955 was dit op de top van de voorgevel geplaatst. In 2011 heeft opnieuw een restauratie plaatsgevonden en is het beeld van Petrus weer vernieuwd.
In 1897 werd bij graafwerk aan de voormalige Rijnpoort (in de buurt van het Sint-Petersgasthuis dus) een kop van een beeld opgegraven. Een kop met een bol gezicht, een korte krullende baard en dito haar. Omdat de apostel Petrus gewoonlijk daarmee werd afgebeeld is het vermoeden gerechtvaardigd dat dit het overblijfsel is van een Petrusbeeld. Gezien de afmetingen van de kop moet het oorspronkelijke beeld zo'n anderhalve meter hoog zijn geweest. Oorspronkelijk stond het wellicht voor de kapel van het genoemde gasthuis en is het gebroken en onthoofd tijdens de beeldenstorm van 1579. Het beeld werd waarschijnlijk rond 1500 gehouwen. (informatie van Museum Arnhem waar de kop zich nu bevindt).
De gevelsteen is afkomstig van het Catharina Gasthuis in de Beekstraat.
Daarop wordt de naam genoemd van ene Haeck die rentmeester was van 1618 tot 1629 (datum op de steen 12 maart 1618), en verder de spreuk:
Wie den armen wt liefde dient
Blyft na Christi belofte Gods beste vriend
Ook bevat de steen de attributen van H. Catharina, het rad en het zwaard (zie hierna bij de zegelstempels).
De beelden, voorstellende een oude man en een oude vrouw, hebben aan weerszijden boven op de stenen toegangspoort van het Catharinae Gasthuis aan de Beekstraat gestaan (het gasthuis was verhuisd van de Bakkerstraat naar de gebouwen van het voormalige Agnietenklooster 'op de Beek' aan de Beekstraat, waarlangs de Sint Jansbeek stroomt). Tussen de beelden stond boven de poort het volgende opschrift in steen uitgehouwen:
Siet hier worden onderhouwen
Oude swacke mans en vrouwen
Sinloos mens en sieck soldaat
Vindt hier ook zijn toeverlaat
De karakteristieke stenen poort met de beelden, dat door meerdere gerenommeerde kunstenaars (o.a. J. Bosboom en J.H. Weissenbruch) is vereeuwigd, viel in 1860 met het hele complex aan de slopershamer ten offer. De beelden bleven bewaard en zijn nu eigendom van Museum Arnhem, dat ze is bruikleen heeft gegeven aan de DrieGasthuizenGroep.
De maker van het beeld is Gerhard Gröninger (1582-1652), een beeldhouwer die gewerkt heeft in Münster en Nijmegen. Een bekend werk van hem in Nederland zijn twee beelden van weeskinderen die hij maakte voor de toegangspoort van het weeshuis in Nijmegen.
Het paneel achter de beelden is beschilderd door Thomaz van Os. Van Os is ook de maker van de muurschildering De Drie Gasthuizen in de Van Muijlwijkstraat.
In deze zaal hangt een reproductie van “De zeven werken van Barmhartigheid” van de Meester van Alkmaar uit het Rijksmuseum in Amsterdam.
Een Hollandse stad vormt het decor voor een beeldverhaal dat laat zien hoe een goed christen hulpbehoevende mensen moet helpen. Christus staat in bijna elk tafereel tussen de toeschouwers. De scènes geven een indruk van de stedelijke samenleving omstreeks 1500.
De zeven werken van barmhartigheid, de basis voor de zorg in de 15e en 16e eeuw , bestaan uit:
De zeven panelen werden in 1504 in opdracht van de gasthuismeesters van het Heilige Geest Gasthuis te Alkmaar geschilderd, en hebben tot 1916 gehangen in de Grote of St. Laurenskerk in Alkmaar.
Tijdens de Beeldenstorm van 1566, waarbij rooms-katholieke kerken door protestanten werden vernield, raakte het werk ernstig beschadigd.
In 1916 werden ze aangekocht door het Rijksmuseum.
In de Heerenkamer (in een fotolijst) en in de kamer van de managementassistente (op de muur geschilderd) staan de afdrukken van de zegelstempels (sigillum betekent zegel) van de drie gasthuizen:
links dat van het Sint Anthonie Gasthuis,
Antonius (van Egypte) is o.a. de patroon tegen de pest.
Zijn attributen zijn o.a. een bel, het varken en de kluizenaarsstaf (met bel)
in het midden dat van het Sint Catharinae Gasthuis,
Catharina stamde uit een voornaam geslacht. Keizer Maxentius was verliefd op haar geworden. Op haar weigering om na zijn echtgenote de tweede dame aan het hof te worden, wilde hij haar dwingen haar geloof af te zweren onder bedreiging met gruwelijke folteringen. Ook stuurde hij veertig heidense filosofen op haar af om haar te bekeren, maar in plaats van Catharina te bekeren tot het heidendom werden de geleerden tijdens de discussie met Catharina bekeerd tot het christendom. Daarop wilde de keizer haar laten verpletteren met een rad waarop scherpe ijzeren punten waren gemonteerd. In plaats van Catharina brak echter het rad, getroffen door de bliksem. Hij wilde haar laten verbranden, maar het vuur waaide uiteen en verbrandde de beulen. Uiteindelijk lukte het dan toch haar te onthoofden. Uit haar halswond stroomde melk die de stad van de pest bevrijdde.
Haar attributen zijn het wiel en het zwaard.
rechts van het Sint Peters Gasthuis.
Petrus was een belangrijke leerling van Jezus. Hij wordt genoemd als een van de twaalf apostelen en was de eerste bisschop van Rome (ook wel de eerste paus).
Zijn attributen zijn een sleutel, een haan, en omgekeerd kruis en een vissersnet.
Deze aflevering van Verliefd op Arnhem gaat over dit gebouw:
Ruw volk van samenzweerders