1872 (Vlaardingen) – 1938 (Amsterdam)
Gerrit Versteeg groeide op in Vlaardingen als zoon van een boer.
Hij leerde in Delft voor timmerman. Hierna trad hij in dienst bij een architect. Via assistentschappen bij o.a. Eugen Gugelplugin-autotooltip__plain plugin-autotooltip_big Gugel was - in 1864 - de eerste hoogleraar bouwkunde aan de Polytechnische school te Delft. Daarvoor was hij werkzaam in Rijnland-Palts als bouwmeester bij de spoorwegen; hij werkte mee aan de bouw van enige paleizen. Ook in Nederland heeft hij zelf diverse gebouwen ontworpen. En hij was leermeester van verschillende prominente architecten., hoogleraar bouwkunde aan de polytechnische hogeschool in Delft, haalde hij zijn architectuurdiploma’s.
Tussen 1901 en 1914 was hij adjunct-directeur van Gemeentewerken in Arnhem.
Directeur was destijds W.F.C. Schaap. Hun taakverdeling was dat Schaap zich voornamelijk richtte op de stedenbouwkundige kant van het werk en Versteeg met name scholen en utiliteitsgebouwen ontwierp.
In 1914 begon hij als zelfstandig architect in Amsterdam en werkte daar samen met architect Jan Gratama. Zij richtten zich op woningbouw.
Naast verschillende projecten in Amsterdam (zoals de Vogelbuurt te Amsterdam-Noord, gemeentelijke woningen in de Transvaalbuurt te Amsterdam-Oost en Tuindorp Watergraafsmeer, nu bekend als Betondorp) zijn ook de woningen op de Braamberg (Sonsbeekkwartier-Noord) en op de Geitenkamp (Schuttersbergweg en omgeving) - beide in opdracht van de Arnhemse Woningbouwvereniging voor Ambtenaren (WBvA) en opgezet als tuindorp-achtige wijken - van hun hand.
Van 1930 tot zijn dood werkte Versteeg samen met zijn oudste zoon Gerrit Versteeg jr.
Versteeg ontwierp in een zakelijke stijl, waarbij hij versieringen echter niet uitsloot. In verschillende ontwerpen is de invloed van Berlage zichtbaar (in Amsterdam heeft Versteeg ook met Berlage samengewerkt, bijv bij de bouiw van woningen in de Amsterdamse Transvaalbuurt.
Hij sloot versieringen niet uit, maar moest niets hebben van in zijn ogen te uitbundige versieringen, getuige een artikel van zijn hand uit 1911 in het Bouwkundig Weekblad 1) waarin hij het heeft over “de fratsen en grillen der heeren revolutiebouwers, met meer of minder smaak, met meer of minder sterk gekleurde fantasie”. Hij keerde zich hier tegen de “speculatiebouwers” van de huizen in “een villapark nen een nieuw stratenplan, beiden aansluitend aan het schone park Sonsbeek”. Toen hij dit schreef had hij allicht Willem Diehl en diens Belderboshuis voor ogen.
| 1902 | School aan de Agnietenstraat (waarschijnlijk) |
| 1905 | Gemeentelijke HBS-B, later Lorentz HBS. Schoolstraat 35 |
| 1906 | Openbare Lagere School nummer 3, Onder de Linden 21 |
| 1906 | De gemeentelijke electriciteitscentrale aan de Nieuwe Kade 2) |
| 1910 | Gemeente Slachthuis aan de Nieuwe kade 3) |
| 1911 | De tramremise aan de Westervoortsedijk 4) |
| 1913 | Openbare Lagere School nummer 19, Spijkerstraat 49 |
| 1916 | Openbare Lagere School nummer 20, Van Verschuerplein 41-43 |
| 1921 | 104 woningen op de Braamberg |
| 1923 | 76 woningen op de Geitenkamp (Schuttersberg) |
Samen met Gratama ontwierp hij transformatorhuisjes voor de PGEM (Provinciale Geldersche Electriciteits-Maatschappij) in o.a. Druten, Kesteren, Hoog Soeren, Doorwerth en Ede (samen met Gratama). Nu allemaal rijksmonument.