1870 (Delft) – 1933 (Arnhem)
Willem Schaap groeide op in Delft als zoon van een aannemer.
Na de HBS ging hij werken bij zijn vader. Op zijn 25ste begon hij een studie aan de Polytechnische School in Delft, waar hij afstudeerde als bouwkundig en civiel ingenieur.
In 1897, kort na zijn afstuderen, verhuisde Schaap naar Arnhem en trad hij in dienst bij Gemeentewerken Arnhem, de dienst waar J.W.C. Tellegen directeur was. In 1899 werd hij daar adjunct-directeur.
In 1900 vertrok hij naar Deventer om daar directeur Gemeentewerken te worden.
In 1901 kwam hij weer terug naar Arnhem om Tellegen op te volgen als directeur Gemeentewerken. Tellegen vertrok uit Arnhem naar Amsterdam en werd daar directeur van Bouw- en Woningtoezicht in Amsterdam.
Als directeur van Gemeentewerken maakte Schaap verschillende stedenbouwkundige plannen.
Het ontwerpen van de gemeentelijke gebouwen liet hij vrijwel altijd over aan andere architecten in gemeentedienst. Bijzonder vruchtbaar was daarbij zijn samenwerking met zijn adjunct-directeur Gerrit Versteeg. Zij werkten beiden vanuit dezelfde sterke maatschappelijke betrokkenheid. Ook nadat Versteeg in 1914 vertrok uit gemeentedienst werkten zij nog veel samen, bijvoorbeeld in de Geitenkamp.
Vanaf 1917 werd de relatie tussen Schaap en de gemeente Arnhem steeds slechter.
Zijn Algemeen Plan van Uitbreiding (zie hierna) werd maar niet goedgekeurd.
In zijn ogen koers was de koers van de gemeenteraad en van B&W m.b.t. de volkshuisvesting veel te liberaal. De gemeente wilde, helemaal tegen de zin van Schaap, de particuliere bouwprojecten meer ruimte geven in de stadsuitbreidingen.
En in de ogen van de gemeente voer Schaap al te zeer een eigen koers bij het maken van een maquette voor de nieuwe wijk Gulden Bodem.
En toen de gemeenteraad in 1920 ook nog besloot de dienst Gemeentewerken te reorganiseren en het budget te korten, vertrok hij bij Gemeentewerken en richtte hij zijn eigen bureau in Arnhem op: Ingenieurs- en Architectenbureau Schaap.
In zijn ontwerpen toonde Schaap zich een aanhanger van de esthetische stedenbouw.
Daartoe geïnspireerd door het boek Der Städtebau nach seinen künstlerischen Grundsätzen van Camillo Sitte uit 1889. In dat boek komt Sitte tot de conclusie dat de aantrekkelijkheid van steden sterk wordt bevorderd door gebogen lijnen en onregelmatigheid en asymmetrie in het stratenpatroon en door pleinen zo in te richten dat zij beslotenheid bieden en fungeren als een openbare ontmoetingsruimte (en dat wordt niet bereikt door monumentale gebouwen midden op het plein te plaatsen).
En door de tuinstadgedachte van Ebenezer Howard (veel groen en parken om de band tussen arbeider en natuur te versterken).
Willem Schaap zag een belangrijke taak voor architecten bij stedenbouw en verzette zich tegen de gangbare opvatting uit de 19e eeuw waarbij de stedenbouw vooral als een technisch probleem voor ingenieurs werd beschouwd.
In zijn stedenbouwkundige ontwerpen rekende hij af met de formele stedenbouw van de 19e eeuw en daarmee ook met de stratenplannen van zijn voorganger, J.W.C. Tellegen.
Ontwerpen van zijn hand zijn:
* de Mussenbuurt (1910)
* de Van Verschuerwijk (1911)
* de Patrimoniumbuurt – Vogelwijk (1916)
* de Geitenkamp (1919)
* het Sonsbeekkwartier-Noord (1920)
In 1917 ontwikkelde hij een Algemeen Plan van Uitbreiding. Dat is nooit officieel vastgesteld, maar heeft wel jarenlang gediend als leidraad voor de Arnhemse stadsuitbreidingen.
Behalve de stedenbouwkundige plannen zijn er nog tal van andere projecten en gebouwen op zijn naam. Uit zijn tijd bij Gemeentewerken en van zijn eigen bureau:
| 1904 | De aanleg van industrieterrein Het Broek, met spoorwegemplacement en arbeiderswijk |
| 1906-1907 | gemeentelijke elektriciteitscentrale aan de Nieuwe Kade (i.s.m. Gerrit Versteeg)1) |
| 1910 | Een (niet gelukte) poging om in de Arnhemse kunstnijverheidsschool Kunstoefening middelbaar technisch onderwijs in te voeren |
| 1915 | Betrokken bij het “Totaalplan voor het Nederlands Openluchtmuseum”, een ontwerp van Van der Kloot Meijburg |
| 1920 | Verbouwing van het pand van de Arnhemse Heerensociëteit tot museum (nu Museum Arnhem) |
| na 1920 | woningen op de Geitenkamp in opdracht van woningbouwcorporaties De Volkswoning en Eigen Haard |
| 1923 | Rijnstraat 36 (Modehuis Voss & Zn) |
| 1923 | Woningcomplex in Sonsbeek Noord in opdracht van De Middenstandswoning |
| 1925 | Ketelstraat 21-23, medewerker A.J.E. Tonnaer |
| 1926 | Woningen aan de Izaäk Evertslaan 33-36 |
| 1927 | Eiland 6, kantoor en drukkerij van de Nieuwe Arnhemsche Courant, medewerker H.C.J.M. Brück |
| 1932 | ontwerp voor de noordelijke oprit van de nieuwe Rijnbrugbrug (na het overlijden van Schaap in maart 1933 is de opdracht afgemaakt door G.L. van Straaten, een van de architecten die in dienst was bij het bureau) |
Schaap had een sterke maatschappelijke betrokkenheid, die onder andere tot uiting kwam in zijn activiteiten op het gebied van de volkswoningbouw.
Hij was ook een prominent lid van de Sociaal Technische Vereeniging van Democratische Ingenieurs en Architecten (STV). Deze in 1904 opgerichte vereniging streefde naar de bevordering van de volkswelvaart en spande zich vooral in op het terrein van volkshuisvesting.
In 1901 werd de Woningwet ingevoerd, een wet die het bouwen van ongezonde en onveilige woningen onmogelijk moest maken. Architecten onderschreven het belang van gezond en veilig wonen maar stelden vervolgens dat er ook aandacht moest zijn voor ‘het schoone bouwen’. Dat leidde in de jaren erna tot de instelling van gemeentelijke schoonheidscommissies. Arnhem was in 1911, na Den Haag en Amsterdam, de derde stad met een schoonheidscommissie.
Schaap werd, als directeur Gemeentewerken, bij de oprichting ambtshalve lid van deze commissie.
Noot bij de oprichting van deze commissie: de directe aanleiding voor de oprichting waren de door architect Diehl ontworpen panden op de hoek van de Zijpendaalseweg met de Cronjéstraat: Architecten en bestuurders waren verontwaardigd over het ontwerp. Het complex ontsierde de entree van de stad en had veel te veel tierlantijnen. Dat kon echt niet!.
In 1919 gingen er stemmen op om ook een Gelderse schoonheidscommissie op te richten. Gelderland werd gezien als een provincie van ‘buitengewone schoonheid’, zeker gezien de landschappen en het historisch erfgoed. Bij de provinciale schoonheidscommissie was een bredere opzet nodig dan bij de gebruikelijke schoonheidscommissies. Het zou niet alleen moeten gaan om het stimuleren van esthetisch verantwoorde nieuwbouw, maar ook om het in stand houden van de in Gelderland reeds aanwezige 'schoonheid'. Dit leidde op 15 november 1919 tot de oprichting van het ‘Geldersch Genootschap tot Bevordering en Instandhouding van de schoonheid van Stad en Land’, afgekort Gelders Genootschap.
Het Gelders Genootschap bestaat nog steeds. Wel is de organisatie in de loop der jaren getransformeerd van schoonheidscommissie tot een breed adviesorgaan en inspiratiebron voor ruimtelijke kwaliteit.
Van 1920 tot 1933 was Schaap ondervoorzitter van dit genootschap. en maakte hij deel uit van verschillende commissies.
Toen Arnhem rond 1900 begon na te denken over de vervanging van de scheepsbrug door een vaste oeververbinding werden veel varianten en plannen voorgelegd. Schaap verzette zich, als directeur Gemeentewerken, sterk tegen alle plannen voor een vaste brug in het westen van de stad (ter hoogte van het Roermondsplein).
In 1911 presenteerde Schaap een ander plan: Plan-X (later Plan Lauwersgracht genaamd). Hij ging daarmee in tegen de wil van zijn politieke opdrachtgever, de Wethouder van Openbare werken, die de brug aan de kant van het Roermondsplein wilde.
In 1913 nam de Arnhemse gemeenteraad, zeker niet met algemene stemmen, het besluit dat er een vaste brug zou komen bij de Lauwersgracht. Daar was voldoende ruimte voor de lange op- en afritten; dat was bij het Roermondsplein veel moeilijker te verwezenlijken. Maar er kwam helemaal geen brug, want Arnhem had het geld er niet voor.
In 1924 kwam er weer enig schot in de zaak. Schaap kreeg als voorzitter van de Provinciale Schoonheidscommissie een plaats in de Provinciale Bruggencommissie die moest besluiten over de vaste overbruggingen van Rijn, Waal en IJssel. Ook in deze commissie bleef hij onvermoeibaar pleiten voor een vaste brug bij de Lauwersgracht. In 1930 ging het Ministerie van Waterstaat hiermee akkoord. Uiteindelijk zou de bouw van de brug in 1933 starten.
Schaap is voor de ontwikkeling van de stad van grote betekenis geweest. Onder zijn leiding werd het industrieterrein aangelegd, kwamen diverse uitbreidingsplannen tot stand, waaronder de eerste woningwetcomplexen en de villawijken Ruimzicht (nu Sonsbeekkwartier) en Gulden bodem, kreeg het tramnet zijn vorm, werden de saneringen in Klarendal verder gevoerd en werd de plaats van de nieuw te bouwen Rijnbrug bepaald. Hij was initiatiefnemer voor de oprichting van een bureau voor Bouw- en Woningtoezicht binnen Gemeentewerken2).
Schaap had nog tal van andere activiteiten die genoemd moeten worden: