Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


meten_en_wegen

Meten en wegen in de middeleeuwen

Regionale verschillen in maten en gewichten, munten en tijdrekening.

In de middeleeuwen hadden verschillende gewesten en steden hun eigen maten, gewichten munten en tijdrekening. Pas vanaf de 19e eeuw kwam daarin verandering.

Gewichten en maten

Tot de Franse tijd was er geen uniformiteit in het hanteren van gewichten. Pas in 1816 werd het metrieke stelsel ingevoerd in Nederland. Weliswaar werden grotendeels dezelfde termen voor een bepaalde maat gehanteerd, maar de definitie ervan kon verschillen. Enkele voorbeelden:

  • Een duim was in Amsterdam 2,573 cm, in Gelderland 2,7 cm en in de Rijp 2,4 cm
  • Een el was 69 cm in Goes en maar 58,7 cm in Twente
  • Een voet varieerde van 27,7 tot 32,6 cm.
  • Een pond in Amsterdam woog 494,09 gram, in Gent 430 gram, in Gorinchem 466 gram en in Utrecht 497,8 gram
  • Een kan was in Grave 0,7 liter en in Nijmegen en Zaltbommel 1,3 liter.

Na 1820 werden nog wel de oude termen voor lengtematen gehanteerd, maar de betekenis was verbonden met het metrieke stelsel:

  • Een duim was 1 centimeter
  • Een palm was 1 decimeter
  • Een el was 1 meter, soms ook gehanteerd als oppervlaktemaat voor 1 m2.

Munten

Na het ontstaan van de Republiek in 1588 streefden de Staten-Generaal weliswaar naar eenheid in het Nederlandse muntstelsel, maar pas in 1816 werd het uniforme Muntstelsel ingevoerd in Nederland. Daarin werd vastgelegd dat de Nederlandse gulden in 100 cent werd onderverdeeld. Voor die tijd bestond nog geen eenheidsmunt voor de Nederlanden. De waarde van de munten die geslagen werden hing daarom direct samen met de intrinsieke waarde van het materiaal waarvan de munt gemaakt was, bijvoorbeeld goud, zilver of koper. Omdat de munten met de hand werden geslagen en door slijtage (of door ‘snoeien’ ) minder zwaar konden worden, werden ze altijd gewogen om hun waarde vast te stellen. Dat gebeurde bij de geldwisselaar.

Tijdrekening

Nederland kreeg pas relatief laat, op 1 mei 1909 één landelijke tijd, de ‘Amsterdamse tijd’ die gebaseerd was op de zonnetijd van Amsterdam. Daarvoor hanteerde iedere plaats zijn eigen lokale tijd, op basis van de stand van de zon. Omdat de zon in het oosten eerder opkomt dan in het westen, was het in het oosten later dan in het westen van het land. Op 16 mei 1940 werd de tijd in Nederland gewijzigd naar de Midden-Europese tijd, de huidige tijdzone. Vooral de opkomst van de spoorwegen en snelle communicatiemiddelen als de telegraaf maakten een eenduidige tijdsbepaling noodzakelijk.

Zo beschreef een reiziger de situatie rond Venlo in 1907 in het vakblad voor horlogemakers Christiaan Huygens als volgt:

“Onlangs vertrok ondergeteekende uit een plaatsje over de grens te 12.11 Duitsche tijd en arriveerde te Venlo 11.42 spoortijd; de torenklok te Venlo stond op 12.07. Mijn trein naar Amsterdam vertrok te 3.42; de vier uur welke ik had, wilde ik besteden voor een uitstapje naar Tegelen. De tram naar Tegelen stond reeds bezet met publiek voor het station. “Hoe laat vertrek je, conducteur?” “Te 12.50, mijnheer.” “Nu, dan ga ik nog een half uurtje de stad in.” “Pardon, mijnheer, wij gaan nu, het is al over tijd.” “Maar het is toch pas 11.52?” “Jawel, maar wij rekenen Duitsche tijd.” (11.50 spoortijd, 12.15 stadstijd, 12.50 Duitsche tijd). “Conducteur, ik moet te 3.42 spoortijd naar A[msterdam]. Kan ik terug rijden, of moet ik lopen?” “Niet nodig, mijnheer, te 3.40 gaan wij van Tegelen en dan is U zowat 3.30 aan de statil (station).” Jawel, 3.40 vertrekken, 3.30 aan het station, houd nu je hoofd maar bij elkaar. Wat wonder, dat de gemoedelijke conducteur de helft der passagiers moest inlichten, hoe laat het vertrek en aankomst te Venlo was in Duitsche tijd, spoortijd en Venloschen tijd. Zal dit beter worden met eenheid van Tijd, vooral als het Amsterdamschen Eenheidstijd wordt!?”

Meer lezen

meten_en_wegen.txt · Laatst gewijzigd: 2026/06/10 15:15 door redacteur